Over de dingen die voorbij gaan

Vlakbij mijn huis staat een boom in de wei aan het water. Al lange tijd is hij dood en beetje bij beetje valt hij steeds verder uit elkaar. Op gemeentegrond worden onregelmatigheden doorgaans snel verwijderd. Wat niet past in het straatbeeld heeft er geen plek. Opruimen is het devies. Hier niet: deze boom staat op particulier terrein en krijgt alle ruimte om in langzaam tempo weer op te gaan in de aarde.

Iedere ochtend loop ik langs de boom. Een jaar terug brak een groot stuk van de stam af. De afgelopen maanden zakt de stam beetje bij beetje weg in het water. De boom verrot en verkruimelt, hij lost langzaam op. Ik vind het een mooi beeld. Voor mij zit er veel schoonheid in de wederkerigheid die ik zie: de grond is lange tijd voedingsbodem geweest voor de boom. En nu geeft de boom de vruchtbaarheid terug waarvan hij gemaakt is om opnieuw groei en bloei mogelijk te maken.

Het vergaan van de boom past bij het idee van voortdurende verandering waarin het nieuwe wordt geboren uit het oude. Voor het slapen gaan lees ik regelmatig uit Marcus Aurelius’ Persoonlijke notities. Deze Romeinse keizer en filosoof (hij leefde van 121 tot 180) schreef veel over de tijdelijkheid van de dingen en dat zij hun plaats en betekenis hebben in een groter geheel. Ergens schrijft hij: ‘Ieder deel van mij zal dus, door de wet van de verandering, opnieuw een plaats krijgen als onderdeel van de kosmos, en dat zal opnieuw veranderen … , en zo verder, tot in het oneindige.’

De woorden van Marcus Aurelius resoneren met een beeld dat ik een tijd terug zag in Naturalis, het mooie museum in Leiden over de natuur en het leven op aarde. Op de bovenste verdieping vind je daar op een televisiescherm een videoweergave van een lemniscaat. Het lemniscaat verbeeldt de eeuwige stroom van basiselementen waaruit ons leven is opgebouwd, waaronder stikstof, waterstof, koolstof en zuurstof. Er is geen begin, er is geen eind, er is alleen een stroom van verandering.

Het lemniscaat plaatst groei en verval, leven en dood in een ander perspectief. De dood is geen eindpunt maar geboortegrond voor het nieuwe en jonge, voor dat wat komen gaat. Leven en dood staan niet los van elkaar, ze zijn innig met elkaar verbonden.

Het beeld van leven en dood die samen gaan staat haaks op wat we elkaar doorgaans vertellen. Onze samenleving staat bol van alles wat jong, snel en aantrekkelijk is. Van de aftakeling en het verval kijken we doorgaans liever weg. Dat maakt een incompleet plaatje. We ontnemen onszelf hiermee ook de mogelijkheid met elkaar woorden te vinden voor verlies, afscheid nemen en dood.

Om het leven te vieren is het nodig om de dood een plaats te geven. In de katholieke traditie wordt bijvoorbeeld op 2 november Allerzielen gevierd. Overleden dierbaren worden herdacht. Ze zijn aanwezig, ze worden herinnerd en hun namen klinken. In Mexico vieren ze op dezelfde Dia de la muerte. Het is een dag waarop de scheidslijn tussen het leven en de dood heel dun is en er volop feest wordt gevierd. De Nederlandse zanger Stef Bos schreef er ooit een mooi liedje over (klik hier om het te luisteren). Hij zegt daarin: ‘Degenen die we kenden en die er niet meer zijn, komen een voor een naar binnen met tequila en met wijn. En we vallen in hun armen en we drinken op het leven en buiten zingen duizend doden de sterren van de hemel.’

Ik vind het een prachtig beeld: de doden en de levenden die samen feest vieren. De vergankelijkheid en de overledenen zijn niet iets om bang voor te zijn of van weg te kijken maar worden verwelkomd. Met tequila en met wijn, zoals Stef Bos zo mooi zingt. Marcus Aurelius zegt ergens: ‘De dood is net zoiets als de geboorte, een geheim van de natuur.’ De dood als nieuw begin: het is een prikkelend en hoopvol beeld dat het leven zoveel voller maakt.

 

Wil je een e-mail ontvangen als er een nieuw artikel op deze website verschijnt? Klik dan hier.

Scroll to top