Gezocht: poëzie in tijden van Corona

Autorijden heeft voor mij weinig verheffends. Toch werd ik laatst een beetje opgetild toen ik over het asfalt reed. Bij De Nieuws BV op Radio 1 hoorde ik een flard van de Ierse dichter Seamus Heaney: ‘If we winter this one out, we can summer anywhere.’ De schoonheid en zeggingskracht van deze woorden maakten dat ze haast als vanzelf in mijn hoofd bleven rondzoemen. Apart hoe dat werkt: we praten wat af met elkaar en het meeste stroomt gedachteloos voorbij. Maar soms zit er iets tussen dat je raakt als donderslag bij heldere hemel. Alsof de betekenis groter is dan de woorden waar het in moet passen.

Nu klinken woorden van dichters wel vaker. Op zichzelf is dit niet noemenswaardig. De context was in dit geval echter opmerkelijk: ze werden gebruikt door een minister van financiën. De Ierse minister Paschal Donohoe, gebruikte Heaneys woorden aan het eind van een speech waarin hij sprak over de financiële gevolgen van Corona voor de Ieren. Na te hebben gesproken over de ingrijpende maatschappelijke en financieel-economische gevolgen, sloot hij af met Heaneys beeldende woorden. Volgens het radioprogramma paste dergelijke woorden goed bij de Ieren: zij hebben de poëzie in hun aard en hun bloed zitten

Het gesprek in De Nieuws BV kabbelde verder. Al snel was de teneur dat het gebruik van poëzie in de politieke arena in Nederland echt een ‘no go’ is. Je maakt jezelf er eigenlijk een beetje belachelijk mee. Het past gewoonweg niet bij ons nuchtere volkje. Nu is het inderdaad een beetje oppassen: hoogdravendheid of geveinsde eruditie zijn al snel tenenkrommend. Je slaat maar al te gemakkelijk de plank mis. Toon en woordkeuze komen heel nauw: voordat je het weet verander je in een clown en krijgt het iets pathetisch.

Liever geen poëzie in de Nederlandse politiek, zo was de slotsom van het item. Terwijl Radio 1 de pijlen op andere onderwerpen richtte, liet het gesprek mij niet los. Met name de conclusie beviel mij niet. Is dat zo? Heeft de poëzie geen plek daar waar in Nederland over urgente (politieke) kwesties wordt gesproken als het Coronavirus? Ik weet het zo net nog niet.

Sinds de eerste coronagolf gebruiken politici in Nederland een aparte mengeling van managersjargon en oorlogsretoriek daar waar het om het bestrijden van het virus gaat. We zijn in een strijd verwikkeld en als we aan de juiste knoppen draaien dan krijgen we het virus wel onder controle. Ik vraag me echter af in hoeverre deze toon en aanpak ons helpt om met elkaar deze voor iedereen onwennige tijd goed door te komen. Waar er tijdens de eerste golf nog sprake was van onderlinge solidariteit, merk je dat deze bij de tweede golf grotendeels is verdampt. Mensen zijn moe. Ze willen af van dat vervelende coronagedoe. De strijdlustige managementretoriek waarmee onze politici schermen biedt geen uitkomst. Ze zet in op quick fixes, maar schept geen vergezicht waaraan mensen zich kunnen optrekken. Er gaat geen verbinding uit van zinsneden als: ‘navigeren via de achteruitkijkspiegel’, ‘sturen in de mist’ en het hanteren van een ‘grote hamer’ om het virus mee plat te slaan.

Dat het werken aan een gezamenlijk verhaal belangrijk is begrijpen de Ieren een stuk beter. Het vergt wat moed, maar er valt best wat te winnen als we, net als minister Donohoe, wat grotere woorden zouden durven te gebruiken. Woorden die het domein van de controle en beheersing overstijgen en onze verbeeldingskracht weten te prikkelen. Woorden als die van Seamus creëren een punt waar we met elkaar naartoe kunnen bewegen. Het verandert de maatregelen niet. Wel plaatst het moeilijke tijden in een perspectief waar we ons met elkaar doorheen kunnen slaan. Woorden van dichters trekken je zo bezien weg uit het inperkende heden en openen een vergezicht. Bovenal werken ze hoopgevend. En daar kunnen we in deze tijd nooit teveel van hebben.

 

Wil je een e-mail ontvangen als er een nieuw artikel op deze website verschijnt? Klik dan hier.

Scroll to top