Voorbij de vervreemding

Gek hoe dat werkt: pas als het onbekende vertrouwder wordt merk je je eigen vervreemding. Althans, zo is dat voor mij. Na jarenlang beroepshalve meer een binnenmens te zijn geweest ben ik nu veel meer buiten. En hoe meer ik buiten ben, des te duidelijker dringt mijn “ongeletterdheid” zich aan mij op. Door dicht op de seizoenen te staan en aandacht te hebben voor wat bloeit en vliegt merk ik pas hoeveel ik niet weet en ken. Voortdurend ben ik bezig met een inhaalslag. Planten en bloemen weet ik steeds beter te benoemen. De vogels die ik zie ken ik beter bij naam.

Met deze inhaalslag groeit mijn kennis. Maar dat niet alleen. Ik merk dat met het aandachtige kijken en luisteren ook mijn waardering en begrip groeien. Wanneer de flora en fauna niet langer uit naamloze vormen en dingen bestaan maar een naam dragen, wordt de vervreemding minder. De innerlijke oevers – waar ik in mijn vorige stukje over sprak – komen minder ver van elkaar af te liggen. Daarmee ontstaat verbinding en betekenis: het ervaren van de wereld als een bezielde plaats waarin alles met alles verbonden is in wederzijdse afhankelijkheid. Dit past bij het beeld van de wereld als ‘gemeenschap van subjecten’, waarbij de mens niet boven de wereld staat maar er middenin.

Hoe vervreemding en waardering met elkaar samenhangen laat de Amerikaanse dichter Gary Snyder treffend zien. In zijn boek The Practice of the Wild schetst hij een intrigerend beeld van hoe wij tegen het ‘wilde’ aankijken. Aan de hand van The Oxford English Dictionary geeft hij o.a. de volgende typeringen van het ‘wilde’ daar waar het gaat over:

  • Dieren – niet tam, ongetemd, onhandelbaar.
  • Land – onbewoond, ongecultiveerd.
  • Gemeenschappen – ongecultiveerd, onbeleefd en grof, weerstand biedend aan een constitutionele staatsvorm.
  • Gedrag – gewelddadig, destructief, wreed, onhandelbaar.

Wat opvalt zijn de negatieve kwalificaties: onbekend maakt onbemind. Bovenal wordt onderstreept wat het ‘wilde’ niet is. Maar wat als we wat verder kijken en ons oordeel minder laten kleuren door de kloof tussen ons en de vaak onbekende wereld? We komen dan uit bij een heel andere manier van kijken, een wijze van waarderen die veel sterker de andersheid en eigenheid van het vreemde en wilde onderkent, zoals terug te zien in de herformulering van Snyder zelf:

  • Dieren – vrije subjecten, ieder met zijn eigen begaafdheid levend in een natuurlijk systeem.
  • Land – een plaats waar de oorspronkelijke vegetatie intact en fauna intact is en volop interacteert en de hand van de mens afwezig is. Ongerept.
  • Gemeenschappen – gemeenschappen waarbij de orde van binnenuit groeit en welke rust op consensus en gewoonte en niet zozeer op wetgeving … gemeenschappen waarbij het economisch systeem aansluit en in relatie staat tot het lokale ecosysteem.
  • Gedrag – zich sterk verzettend tegen iedere vorm van onderdrukking, opsluiting en uitbuiting en daardoor ongekunsteld, vrij en spontaan.

Toen ik deze typeringen van het ‘wilde’ voor het eerst las was ik geraakt: het maakte me droevig om (weer eens) te zien hoe ver we zijn afgedreven van onze inbedding, onze natuurlijke plaats. Maar tegelijkertijd voelde ik hoop. Tegen de stroom in zijn er altijd mensen, zoals Snyder, die zich moedig inspannen om het andere, om het vreemde van een stem te voorzien. Zij helpen ons taal en gevoel te ontwikkelen en bij te dragen aan een nieuw evenwicht. Ze zijn als vonkjes van hoop die het vuur van de verwondering voor onze wereld aanjagen. En dat stemt mij oneindig positief.

 

Wil je een e-mail ontvangen als er een nieuw artikel op deze website verschijnt? Klik dan hier.

Scroll to top