Over de ziel

Vaak borrelt het gevoel in mij op dat de meest wezenlijke dingen in ons leven ook de meest ongrijpbare zijn. Met regelmaat mijmer ik over de ziel. Eigener, persoonlijker en intiemer wordt het niet. En tegelijkertijd tasten we in de leegte en vormt de ziel een groot mysterie.

Al proberen sommigen wel een glimp op te vangen van de ziel. Zo voerde de arts Duncan MacDougall in 1907 een experiment uit met zes stervende tuberculosepatiënten. Hij plaatste ze met bed en al op een grote industriële weegschaal. Vier van de patiënten van MacDougall verloren op het moment van sterven een heel klein beetje gewicht. De eerste patiënt verloor iets meer dan 21 gram. Op verschillende momenten is dit aantal gram in kunst en cultuur komen bovendrijven als het vermeende gewicht van de ziel.

De meesten van ons zijn gewend aan het idee dat de ziel een plaats heeft in het lichaam. Het lichaam is ons tijdelijke en aardse “huis” waarin de ziel als een soort van goddelijke of essentiële vonk aanwezig is. Sterft het lichaam, dan vindt de ziel zijn weg terug naar huis in een leven na de dood volgens sommigen. Anderen vermoeden dat de ziel weer terugkomt in een ander lichaam om de levenscyclus weer opnieuw te doorlopen. Hoe dan ook: in beide situaties bevindt de ziel zich in of om het lichaam.

Het boek Anam Cara van John O’Donohue zette mij onlangs om een afwijkend en inspirerend denkspoor. Deze Ierse dichter, schrijver en uitgetreden priester schreef onder meer over spiritualiteit, welke hij telkens weer verbond met de natuur en de grond waarop wij staan. Ergens in zijn boek schrijft hij dat het lichaam een plek in de ziel heeft. Voor mij is dit een interessante en vruchtbare omkering. Het eerste beeld dat in mij opkwam na het lezen van deze woorden was dat van een groot wit papier. Wat als dit hele vel ziel is? Dan kun je het leven als een zee van ziel zien waar als kleine puntjes allemaal lichamen in kunnen worden geplaatst.

Het bevrijdende aan de omkering vind ik het vertrouwen dat eruit spreekt. Dit vertrouwen vormt een contrast met veel van het geschrevene in onze westerse geschiedenis. Als theoloog heb ik eindeloos veel teksten voorbij zien komen waarin de ziel vereenzelvigd wordt met het hogere, het goddelijke, het reine. Het stoffelijke daarentegen – ons lichaam en de wereld – behoort tot de lagere en minder edele regionen. In het beste geval leidt dit denkschema tot een verheelijking van geestelijke zaken. In het slechtste geval tot een veroordeling van lichaam, seksualiteit en de wereld als zondige en donkere plaats. Wanneer we daarentegen de ziel zien als een wit papier waarop alles zijn plek heeft, dan breken we radicaal met de zojuist beschreven tegenstelling. De wereld zelf verschijnt als bezielde plaats. Een ruimte die goed is en waardevol.

Het mooie woord ‘zielzorg’ komt hiermee ook in een ander licht te staan. Ziel is niet louter verbonden met het ‘zelf’ en ons eigen persoonlijke leven, maar met het hele weefsel van bestaan waarin wij een plek hebben. Introspectie en zelfonderzoek worden aangevuld met aandacht en zorg voor de wereld om ons heen. De zorg voor de wereld loopt over in zelfzorg en omgekeerd. Daarmee opent zich een perspectief waarin verbinding en empathie centraal staan. En precies daarvan kunnen we in deze tijd nooit teveel hebben.

 

Wil je een e-mail ontvangen als er een nieuw artikel op deze website verschijnt? Klik dan hier.

Scroll to top