Open post

Lichter leven

Lichter leven

De maand januari draagt iets in zich van nieuw begin. Na een decembermaand vol feestdagen en overvloed, brengt de eerste maand van het nieuwe jaar balans. Best wat mensen kiezen ervoor een maand niet te drinken: dry January wint aan populariteit. Een goede stap om gewoontes te doorbreken en niet als vanzelfsprekend een flesje open te trekken.

Mijn dry january bewaar ik voor de vastentijd. Dat wil niet zeggen dat januari gewoon aan mij voorbij trekt. Nog meer dan anders probeer ik deze maand gewicht kwijt te raken. Niet zozeer zwembandjes, veel meer gaat het mij om gewicht in de brede zin van het woord: al een behoorlijke tijd probeer ik me beetje bij beetje meer bewust te zijn van mijn gewoontes, mijn levensstijl, en streef ik ernaar mijn behoeftes te downsizen.

Dat klinkt goed maar is moeilijker dan gedacht. Tony Crabbe stelt in zijn boek Nooit meer te druk dat slechts 2% van onze mentale processen bestaat uit ‘beschouwelijk bewust denken’. Dat betekent dat wij verreweg de meeste tijd handelen op de automatische piloot. Dit bespaart ons ongelooflijk veel energie: onze hersenen hoeven beduidend minder werk te verzetten en staan in de spaarstand. Veel van wat wij doen drijft daarmee op gewoontevorming: ingeslepen patronen die haast als vanzelf ons doen en laten bepalen. Dat is positief in het geval van goede gewoontes maar ongezond daar waar zich allerlei fnuikende patronen in ons gedrag hebben genesteld.

Zelf probeer ik deze maand bewuster om te gaan met mijn telefoon. Het gaat mij niet om het voortdurend maar bereikbaar zijn (al is dat ook een probleem), maar om het bombardement aan advertenties dat op mij af komt als ik even wat check. Keer op keer word ik in de verleiding gebracht om spullen te kopen die mij gelukkig zullen maken. Nu heb ik het gevoel dat ik behoorlijk goed weerstand weet te bieden, maar toch koester ik niet de illusie dat ik slimmer ben dan al die geraffineerde reclametrucs bij elkaar. Bij continue blootstelling gaat zelfs de meest doorgewinterde niet-koper voor de bijl. Dat is ook de reden dat ik een karrenvracht aan nieuwsbrieven en andere reclameberichten van merken en winkels die mij wel aanstaan tot junk mail heb verklaard en uit mijn inbox heb verwijderd.

Door advertisement te mijden voel ik sterker mijn eigen behoefte in plaats van de behoeftes die ik krijg aangepraat. Dat is prettig en maakt rustig. Ook is het fijn om te merken dat ik van mijzelf weinig wensen heb. Als ik afgekoppeld ben komt er een milde tevredenheid over mij: een blij-zijn met wat ik heb en wie ik ben. Dat raakt aan een mooie zin die ik laatst las van de Amerikaan Henry David Thoreau. Deze filosoof, schrijver en voorloper van de milieubeweging schreef halverwege de negentiende eeuw: ‘a man is rich in proportion to the number of things he can afford to let alone’. Zo bezien liggen rijkdom en geluk niet in het verschiet voor wie groeit in bezit. Integendeel, juist degene die het lukt tevreden te zijn in het klein vindt rijkdom in de schaarste.

Thoreau werpt een heel ander licht op rijkdom. Rijkdom is niet gekoppeld aan een onverzadigbaar meer, maar aan ons vermogen zonder dingen te kunnen. Belangrijkste hierbij is onze mindset. Rijkdom wordt, Thoreau volgend, niet bepaald door geld en goed maar door de blik waarmee we kijken naar de bestaande wereld die ons omringt. Lukt het ons om niet te afhankelijk te zijn van de spullen en de zekerheden waarmee wij ons omringen? Zo bezien gaat rijkdom samen met een gezonde vorm van onthechting, met een lichter leven dat onafhankelijk en veerkrachtig maakt. Dat zijn mooie en positieve woorden om het nieuwe jaar mee te beginnen.

 

Wil je een e-mail ontvangen als er een nieuw artikel op deze website verschijnt? Klik dan hier.

Open post

Aan de rand van mijn blikveld

Aan de rand van mijn blikveld

Vanmorgen vertrok ik later dan gebruikelijk. Iets na negenen trok ik de deur achter me dicht en stapte richting bos voor mijn ochtendwandeling. Daar liep ik heel stilletjes en liet de natuur op mij inwerken. Slechts af en toe werd de stilte doorbroken door een passerende fietser, om daarna weer terug te keren en bezit van het bos te nemen.

Toen ik na tienen richting de velden liep gebeurde er iets bijzonders: vanuit mijn ooghoek zag ik een reebok die in volle vaart door het open weiland snelde richting een stel bomen gehuld in dichte begroeiing. Terwijl hij watervlug door het groen schoot pakte ik mijn verrekijker en zag hoe hij onvermoeibaar de akker overstak en uit het zicht verdween.

Soms moet het je wat meezitten. Afgelopen jaar zag ik regelmatig reegeiten met hun kalfjes op de veldjes van de landgoederen die de bebouwde kom hier omringen. Meestal was dat vroeg in de ochtend, niet op een tijdstip waarop wandelend en fietsend Nederland in beweging komt. Zo bezien had ik met het zien van de reebok het geluk aan mijn zijde. Maar toch is het dat niet alleen.

Al een tijdje probeer ik op een andere manier te kijken naar mijn omgeving. Doorgaans richten we – mijzelf incluis – onze aandacht op één punt in ons blikveld. Dat zorgt voor focus. Het maakt echter ook dat we alle ruis wegfilteren. Precies dat laatste probeer ik de afgelopen tijd bewust te voorkomen als ik door de natuur trek. Ik merk namelijk dat, op de momenten dat dit lukt, mijn alertheid groeit en ik me bewuster ben van wat er aan de randen van blikveld gebeurt. Het maakt dat ik zie wat doorgaans aan mij voorbij gaat.

Een soortgelijke wijze van kijken oefen je bij spoorzoeken. Ergens in zijn autobiografie schrijft bushcraft-expert Ray Mears over hoe hij zichzelf heeft getraind in het herkennen van sporen. Wat begint met het herkennen van allerlei pootafdrukken van wilde dieren in sneeuw en modder, ontwikkelt zich tot een steeds scherpere waarneming van minuscule veranderingen in het landschap. Deze kleine veranderingen kunnen volgens Mears alleen gezien worden wanneer het je lukt om diffuus te kijken. Deze wat wazige blik lijkt contra-intuïtief en botst met ons idee van focus en aandacht. Toch komt er met deze bredere blik informatie tot ons die anders hoogstwaarschijnlijk verborgen zou blijven.

Het kunnen schakelen tussen een gefocuste en brede blik vind ik verrijkend. Het verandert de wereld niet, wel mijn waarneming. Deze wordt voller omdat ik helderder zie wat aanwezig is. Geluk balt zich samen in korte momenten. In het zien van reebok die me zonder brede blik waarschijnlijk ontgaan was. Slechts een kort moment, maar totaal onbetaalbaar.

 

Wil je een e-mail ontvangen als er een nieuw artikel op deze website verschijnt? Klik dan hier.

 

Open post

Druk, druk, druk …

Druk, druk, druk…

Zeg eens eerlijk, wanneer heb jij voor het laatst het woord ‘druk’ gebruikt? Het is samen met het woord ‘goed’ het meest gangbare antwoord op de vraag hoe het met ons gaat. Ook ik betrap mijzelf erop: als mijn hoofd vol zit met een rommelige hoop van hoofd- en bijzaken is het een gemakkelijk antwoord dat er haast als vanzelf uitkomt.

Maar waarom voel ik me druk? Ben ik echt met zoveel belangrijks bezig? Of is er iets anders aan de hand? De Romeinse filosoof Seneca zou me hoofdschuddend hebben aangekeken en zeggen: ‘Druk? Je hebt het helemaal niet druk. Je gaat niet goed om met de tijd die je gegeven is!’ In zijn boek De lengte van het leven constateert hij scherpzinnig dat wij ons vaak zorgen maken over de verkeerde dingen. Hij zegt:

‘Mensen laten nooit hun grond door een ander innemen, bij het minste of geringste grensgeschil grijpen ze naar stenen en wapens. Maar dat anderen hun leven binnentreden vinden ze best, of sterker nog, ze halen zelf hun toekomstige eigenaar binnen. Je vindt geen mens die zijn geld zomaar weggeeft, dat wil niemand. Maar ieder deelt zijn leven uit aan Jan en alleman.’ 

Seneca’s woorden klinken vers en kraakhelder. Toch zijn ze al 2000 jaar oud. Ook in onze tijd maken we ons voortdurend druk over bezit en vermogen. Als anderen aan ons bezit komen staan we op onze achterste benen. De pleuris breekt uit. De gang naar de rechter is snel gevonden. Maar als er een beroep op onze tijd wordt gedaan dan halen we onze ‘toekomstige eigenaar’ kritiekloos binnen. We laten ons kostbaarste goed – de tijd die ons gegeven is – als kaas van ons brood eten. Vaak omdat onze ijdelheid gestreeld wordt: het beroep van de ander geeft een gevoel van belangrijk zijn. En zo gaat onze tijd op aan talloze activiteiten waarvan we denken dat ze ons verder helpen. In onze zoektocht bijvoorbeeld naar een glansrijke carrière. Maar door nu van onszelf van alles te ‘moeten’, stellen we het échte leven uit. We begraven onszelf in bijzaken en beginnen pas met leven als de eindstreep in zicht is, aldus Seneca:

‘Na mijn vijftigste,’ hoor je de mensen zeggen, ‘dan doe ik het kalmer aan. En met zestig leg ik alle functies neer.’ Wie staat ervoor garant dat jij zo lang leeft? Wie laat de zaken lopen volgens jouw plan? De restanten van je leven reserveren voor jezelf, voor wijsheid alleen de tijd inruimen waar je verder niets mee kunt: vind je dat niet beschamend? Het is te laat te beginnen met leven bij de finish.’

 Maar hoe dan? Wat is dan wel een vruchtbare houding die ons verder brengt? Volgens Seneca zouden wij ons leven radicaal anders inrichten als niet alleen onze verstreken jaren zich zouden uitdrukken in een getal, maar ook de jaren die nog voor ons liggen. Het zou ons kieskeurig maken. We zouden alleen kiezen wat er echt toe doet.

Ook bewijzen we ons volgens Seneca een dienst als we afstand durven te nemen van drukte en gedoe. Het maakt dat ons leven minder gemakkelijk weg lekt en op gaat aan bijzaken. In de ruimte die zo ontstaat kunnen ideeën en gedachten rijpen. Kunnen we voelen en denken. Kortom: kan wijsheid groeien.

 

Wil je een e-mail ontvangen als er een nieuw artikel op deze website verschijnt? Klik dan hier.

 

Open post

Oneigenlijk bezit

Oneigenlijk bezit

Afgelopen maand, begin november, was ik op zoek naar een paar stenen. Het soort waarmee de rivieren in het zuiden van Frankrijk vol liggen. Mooie door het water afgesleten ronde platte stenen, die eindeloos over het water stuiteren als je ze met een zwieper weggooit vlak boven de waterspiegel.

Vol goede moed ging ik op zoek. Ik had er immers maar een paar nodig, voor een afscheidsritueel rond Allerzielen. Maar het vinden van de geschikte steen bleek al snel moeilijker dan gedacht en met tegenzin begaf ik me naar een tuincentrum. Eenmaal binnen werd ik overdonderd door een stortvloed aan producten. Eenvoudige ronde platte stenen kon ik echter nergens vinden. Na de hulp van verschillende medewerkers was de slotsom dat ik in het verkeerde seizoen om stenen vroeg. Ze worden per pallet besteld in het voorjaar. In het najaar vraagt er niemand om zoiets. De meest behulpzame medewerker suggereerde dat ik eens bij de IJssel kon gaan kijken of ik daar iets kon vinden. Een andere wat norse medewerker zei dat dit toch absoluut niet kon. Zomaar stenen bij de rivier weghalen? Voor dat soort praktijken krijg je een dikke boete, zo verzekerde hij mij.

Enigszins verbouwereerd door deze opmerking ging ik met lege handen terug naar huis. Niet het gebrek aan stenen, maar de woorden van de norse medewerker lieten me niet los. Wat me vooral aan het denken zette was zijn idee van toe-eigening, dat de stenen in een rivier het eigendom zijn van een persoon of een instantie. Het moment in het tuincentrum resoneerde bovendien met een voorval in het voorjaar. In de late lente liep ik over een landgoed met een klein stukje fluitenkruid in mijn hand. Een typisch geval van verkeerd moment en verkeerde plek, want ik liep de rentmeester tegen het lijf. In niet mis te verstane bewoordingen liet hij me weten dat het toch echt niet de bedoeling was dat hier van alles geplukt werd. Alle natuur, zo legde hij mij eventjes haarfijn uit, is immers in bezit van iemand.

Na beide momenten moest ik denken aan de beroemde toespraak van het opperhoofd Seattle. In de tweede helft van de negentiende eeuw sprak hij zich uit tegen de blanke man die alle land, goedschiks dan wel kwaadschiks, van de natives wilde overnemen in Noord-Amerika. Opperhoofd Seattle zou zijn toespraak begonnen zijn met de volgende woorden: ‘Hoe kun je de lucht, de warmte van het land kopen of verkopen? Dat is voor ons moeilijk te bedenken. Als wij de prikkeling van het water niet kunnen bezitten, hoe kunt u het van ons kopen?’ Ja, hoe kunnen we bezitten, kopen en verkopen wat ten diepste niet van ons is?

Wat me raakte in het tuincentrum en in het voorval met de rentmeester is de extreme manier van toe-eigening die zich heel diep in onze cultuur en samenleving heeft genesteld. Het merkwaardige idee dat wij alles kunnen bezitten en dat de natuur niet van zichzelf kan zijn. Neem zoiets eenvoudigs als de steen waarnaar ik op zoek was: voor mijn geboorte was de steen er op zijn minst duizenden en duizenden jaren. Ook zal de steen mij in jaren eindeloos overleven. Toch lijken we collectief bevangen door het idee dat wij de natuur, die ons in alles overstijgt en overleeft, kunnen bezitten en naar onze wil kunnen buigen. Alsof we er zelf buiten staan.

Is het daarentegen niet veel passender om onszelf als passanten te zien die eventjes gebruik maken van de dingen die we op dat moment nodig hebben uit de natuur waar wij zelf onderdeel van zijn? Zijn we niet meer gebaat bij een gezonde tijdelijkheid, die ons relativeert en ruimte geeft aan anderen en het andere? Dat plaatst voor mijn gevoel de dingen in een veel redelijker perspectief, waarbij balans het uitgangspunt vormt en niet onze voortdurende aandacht voor groei in bezit en zelfverrijking.

Oh ja, de stenen. Uiteindelijk vond ik wat ik zocht bij een slootje in de modder. Ik spoelde ze schoon en gebruikte ze voor het afscheidsritueel. Na afloop bracht ik de stenen terug naar waar ik ze vond. Niemands bezit, alleen van zichzelf.

 

Wil je een e-mail ontvangen als er een nieuw artikel op deze website verschijnt? Klik dan hier.

 

 

Open post

De melodie van een seizoen

De melodie van een seizoen

We bewegen naar de winter toe. Alles maakt zich klaar voor wat komen gaat: de flora trekt zich terug. Bomen veranderen in zwarte staken of fantasierijke vormen. Ze nemen een andere gedaante aan met het vallen van hun bladeren. Ook de dieren kleuren mee met het landschap. Waar de reeën in de zomer mooi roodbruin tegen de velden aftekenden, zijn ze nu donkerbruin van kleur: zo goed gecamoufleerd dat ze in het zwakke licht haast versmelten met hun achtergrond.

Het veranderen van de seizoenen resoneert ook met andere emoties. De ingetogenheid en kaalheid van het winterse landschap roepen heel wat anders op dan de uitbundigheid van de zomer. In de zomer ruiste de wind speels door de bladeren en kwetterden de vogels wat af. In de weilanden staken hazenoren uit boven het hoge gras, om vervolgens weg te schieten als je te dichtbij kwam. Nu, met het vallen van de winter, zijn de velden koud en leeg. Slechts af en toe laten de hazen zich zien. Alsof alles slapen gaat.

Zelf merk ik dat ik verstil als ik ’s morgens de natuur in trek. Met de temperatuur rond het vriespunt kleurt rijp de velden buiten het dorp wit. De ochtendmist die afgelopen week als een deken over het landschap lag, verhoogt daarnaast mijn ingetogenheid. Ik word opgenomen in het zwijgen en de stilte die mij omringen.

Onlangs schreef ik over de verbinding tussen het landschap dat ons omringt (buitenlandschap) en wat dat doet met ons innerlijk (binnenlandschap). Ik raak er steeds meer van overtuigd dat er een levendige verbinding bestaat tussen die twee. Specifieke plaatsen en landschappen geven ruimte aan specifieke gedachten en gevoelens. De bergen vertellen ons een ander verhaal dan de zee. Ook de seizoenen brengen hun eigen melodie met zich mee. Klanken die zich vervlechten met ons eigen gemoed. Soms aanzettend tot stille en milde tevredenheid, dan weer tot onrustig zoeken in een deken van mist.

 

Wil je een e-mail ontvangen als er een nieuw artikel op deze website verschijnt? Klik dan hier.

Open post

Voorbij mijn vooroordelen

Voorbij mijn vooroordelen

Vooruit, ik geef het toe. Als schrijver voldoe ik wel een beetje aan de clichés die kleven aan het schrijverschap. Ik ben gek op taal en smeed en schaaf met liefde aan zinnen. Ook ga ik graag kopje onder in een boek van een ander, om al cirkelend en strepend ver af te dwalen in gedachten. Niets gaat boven de geur en het gevoel van een ambachtelijk vormgegeven boek: het mooie wat dikkere papier, de bladspiegel, een fraai lettertype. Heerlijk. Genieten. Een e-book is een slap aftreksel van het meer tastbare exemplaar. En al heb ik (jawel, ik ook) een e-reader, bekoren kan het me niet.

Mijn voorliefde voor papier houdt gelijke tred met mijn geringe natuurlijke enthousiasme voor digitale ontwikkelingen. Ik weet het, hoe stereotiep: de boekminnende mens met zijn reserves ten aanzien van de nieuwe tijd. Het voldoet aan alle karikaturen.

Toch is het soms goed om je te ontdoen van je eigen vooroordelen. Eerlijk toegeven dat je ernaast zit en blij verrast bent door nieuwe mogelijkheden. Hier gaan we dus.

In het voorjaar downloadde ik de app ‘Seek’ op mijn smartphone en vanaf dag 1 ben ik er blij mee. Seek is een app gebaseerd op augmented reality: je richt de camera van je telefoon op iets en het beeld wordt verder aangevuld met elementen door een computer. In het geval van Seek richt je je telefoon op een bloem, struik of dier en binnen een paar tellen vertelt de app je wat voor soort je ziet, aangevuld met allerlei wetenswaardigheden.

Seek is onderdeel van iNaturalist, een citizen-science project dat begon als afstudeerproject van drie studenten aan de UC Berkeley School of Information in 2008. De waarnemingen via deze app generen data. Anders dan bij de meeste apps gaan deze niet naar een commerciële partij. Ze zijn voor iedereen toegankelijk. Daarmee zijn de gegevens van onschatbare waarde voor de wetenschap en natuurbeschermingsorganisaties. Inmiddels bestaat hun database uit maar liefst 150.000 soorten die op hun beurt weer gekoppeld zijn aan informatie van Wikipedia. Het geeft gebruikers een schat aan informatie. Om niet beschikbaar gesteld, voor iedereen binnen handbereik.

Het effect van Seek op mij is verbluffend. Dagelijks loop ik door het bos en de velden en vaak heb ik mijn telefoon dichtbij. Het afgelopen jaar heb ik daardoor heel veel bijgeleerd over mijn omgeving. Natuurlijk, onwetend was ik niet, maar met deze app leer en zie ik zoveel meer. Een groeiend aantal struiken en bloemen en insecten hebben een naam voor mij en dat maakt dat ik op een heel andere manier door het landschap loop. Ik zie geen anonieme bloemen maar Gewone ereprijs, Wilde kamperfoelie, Witte muur, Overblijvende ossentong en Zachte ooievaarsbek. En verschillende kruipers kan ik nu thuisbrengen als Zwartpootsoldaatje of Roodpootschildwants.

Het grappige is bovendien dat Seek mij sneller naar een boek doet grijpen. Een boek over het determineren van planten (het op naam brengen van de flora om ons heen) stond al geruime tijd in mijn kast. Toch voelde het lange tijd als een flinke hobbel om met dit naslagwerk aan de gang te gaan. Het grote aantal soorten had een intimiderend effect op mij. Door Seek kan ik echter gerichter op zoek. Deze app is daarmee geen vervanging van de plantengids, maar een waardevolle aanvulling op de reeds bestaande kennis. Een hulpmiddel dat helpt om informatie op een gemakkelijke manier te ontsluiten. Grootste kracht is zo het drempelverlagende effect dat van Seek uitgaat. Het op naam brengen van planten en dieren werkt verslavend bovendien.

Misschien is de grootste kracht van Seek wel de bewustwording die het teweeg brengt. Ik wandel niet met grote passen over de paden, maar vertraag en kijk aandachtig naar wat er groeit. Ik breng wat ik tegenkom op naam voor mijzelf en lees er meer over. Met de aandacht en kennis voor mijn omgeving groeit zo ook de waarde ervan. De levende natuur gaat er nog meer door leven.

Soms is het goed om je over je vooroordelen heen te zetten. Ik ben blij dat ik er naast zat.

 

Wil je een e-mail ontvangen als er een nieuw artikel op deze website verschijnt? Klik dan hier.

 

 

Open post

Thuiskomen

Thuiskomen

Een jaar of wat geleden werd ik overvallen door een gevoel van thuiskomen. Gek is dat hoe dat werkt. Lange tijd kun je weg zijn zonder ook maar iets te missen van de streek waar je bent opgegroeid. Eenmaal terug echter, merk je hoe vertrouwd je bent met het landschap en de omgeving. Alsof er een band bestaat die je niet kunt doorknippen, omdat het landschap met de tijd haast ongemerkt zijn sporen in je heeft achtergelaten.

De Britse schrijver Robert Macfarlane schrijft in zijn boek The Old Ways over een brief die hij eens ontving van een onbekende die, net als Macfarlane zelf, graag wandelt. De brief bevatte een opmerkelijke zin. De onbekende schreef hem: ‘eenmaal belopen, bewonen de oude wegen ons’. Wij laten niet alleen onze aanwezigheid achter op de plaatsen waar wij komen en het landschap waarmee wij vertrouwd zijn, andersom gebeurt er ook iets: het landschap gaat in ons zitten. Het bewoont ons, aldus degene die Macfarlane schreef.

Om onze invloed te zien op de plaatsen waarmee we vertrouwd zijn hoeven we slechts om ons heen te kijken. Onze omgeving is voortdurend in verandering. In een land als Nederland passen we het doorlopend aan aan onze wensen. Om reistijden te verkorten leggen we nieuwe wegen aan, zodat we ons nog efficiënter kunnen verplaatsen. Ook onze recreatie in de natuur is in de meeste gevallen uitgedacht achter de tekentafel. Overal waar wij dat gewenst vinden zetten wij het landschap naar onze hand. We kneden wat af met elkaar en drukken onze stempel op het landschap. Zo bezien schuilt er een grote betrokkenheid en invloed in de menselijke hand. Soms geleid door efficiëntie en winstbejag, soms door liefde voor de plek die we thuis noemen.

Maar hoe zit het met de betrokkenheid de andere kant op? De Amerikaanse schrijver Rebecca Solnit stelt in haar boek The Faraway Nearby dat deze vraag maar weinig wordt gesteld. Wat geven plaatsen en het landschap waarmee wij vertrouwd zijn ons? Solnit stelt dat ze ons continuïteit geven, letterlijk een plek om naartoe terug te keren. Vertrouwdheid en herkenbaarheid dragen daarnaast ook bij aan coherentie en context die noodzakelijk is om onszelf te kunnen begrijpen. Het landschap geeft ons letterlijk grond om onszelf te kunnen begrijpen. Het biedt tal van haakjes waar onze persoonlijke biografie aan is opgehangen.

Maar de opmerking van de onbekende uit de brief aan Macfarlane gaat naar mijn idee nog dieper. Bewoond worden door het landschap waar je doorheen trekt veronderstelt iets van interactie: van een over-en-weer. Al lange tijd prikkelen de woorden binnen- en buitenlandschap mij. Zou het zo kunnen zijn dat beide voortdurend op elkaar inwerken en elkaar vormgeven? Zou het kunnen dat beide zich in elkaar weerspiegelen? Dat je als mens door vertrouwd te zijn met een plek, steeds meer van de plek wordt en dat omgekeerd deze plaats beetje bij beetje dieper wortel schiet in je binnenwereld? Misschien zelfs in die mate dat het je denken, spreken en doen gaat kleuren? Dat laatste vind ik een spannende gedachte. Het zou suggereren dat bepaalde plaatsen en landschappen ruimte geven aan specifieke gedachten en gevoelens.

Ontdekken dat plaatsen niet alleen van ons zijn maar wij ook van hen, opent een andere wijze van kijken. Zorgen voor jezelf betekent zorgen voor de plaats waar je van bent. Soms moet je na lange tijd weer thuiskomen om dit te ontdekken.

 

Wil je een e-mail ontvangen als er een nieuw artikel op deze website verschijnt? Klik dan hier.

Open post

Gezocht: poëzie in tijden van Corona

Gezocht: poëzie in tijden van Corona

Autorijden heeft voor mij weinig verheffends. Toch werd ik laatst een beetje opgetild toen ik over het asfalt reed. Bij De Nieuws BV op Radio 1 hoorde ik een flard van de Ierse dichter Seamus Heaney: ‘If we winter this one out, we can summer anywhere.’ De schoonheid en zeggingskracht van deze woorden maakten dat ze haast als vanzelf in mijn hoofd bleven rondzoemen. Apart hoe dat werkt: we praten wat af met elkaar en het meeste stroomt gedachteloos voorbij. Maar soms zit er iets tussen dat je raakt als donderslag bij heldere hemel. Alsof de betekenis groter is dan de woorden waar het in moet passen.

Nu klinken woorden van dichters wel vaker. Op zichzelf is dit niet noemenswaardig. De context was in dit geval echter opmerkelijk: ze werden gebruikt door een minister van financiën. De Ierse minister Paschal Donohoe, gebruikte Heaneys woorden aan het eind van een speech waarin hij sprak over de financiële gevolgen van Corona voor de Ieren. Na te hebben gesproken over de ingrijpende maatschappelijke en financieel-economische gevolgen, sloot hij af met Heaneys beeldende woorden. Volgens het radioprogramma paste dergelijke woorden goed bij de Ieren: zij hebben de poëzie in hun aard en hun bloed zitten

Het gesprek in De Nieuws BV kabbelde verder. Al snel was de teneur dat het gebruik van poëzie in de politieke arena in Nederland echt een ‘no go’ is. Je maakt jezelf er eigenlijk een beetje belachelijk mee. Het past gewoonweg niet bij ons nuchtere volkje. Nu is het inderdaad een beetje oppassen: hoogdravendheid of geveinsde eruditie zijn al snel tenenkrommend. Je slaat maar al te gemakkelijk de plank mis. Toon en woordkeuze komen heel nauw: voordat je het weet verander je in een clown en krijgt het iets pathetisch.

Liever geen poëzie in de Nederlandse politiek, zo was de slotsom van het item. Terwijl Radio 1 de pijlen op andere onderwerpen richtte, liet het gesprek mij niet los. Met name de conclusie beviel mij niet. Is dat zo? Heeft de poëzie geen plek daar waar in Nederland over urgente (politieke) kwesties wordt gesproken als het Coronavirus? Ik weet het zo net nog niet.

Sinds de eerste coronagolf gebruiken politici in Nederland een aparte mengeling van managersjargon en oorlogsretoriek daar waar het om het bestrijden van het virus gaat. We zijn in een strijd verwikkeld en als we aan de juiste knoppen draaien dan krijgen we het virus wel onder controle. Ik vraag me echter af in hoeverre deze toon en aanpak ons helpt om met elkaar deze voor iedereen onwennige tijd goed door te komen. Waar er tijdens de eerste golf nog sprake was van onderlinge solidariteit, merk je dat deze bij de tweede golf grotendeels is verdampt. Mensen zijn moe. Ze willen af van dat vervelende coronagedoe. De strijdlustige managementretoriek waarmee onze politici schermen biedt geen uitkomst. Ze zet in op quick fixes, maar schept geen vergezicht waaraan mensen zich kunnen optrekken. Er gaat geen verbinding uit van zinsneden als: ‘navigeren via de achteruitkijkspiegel’, ‘sturen in de mist’ en het hanteren van een ‘grote hamer’ om het virus mee plat te slaan.

Dat het werken aan een gezamenlijk verhaal belangrijk is begrijpen de Ieren een stuk beter. Het vergt wat moed, maar er valt best wat te winnen als we, net als minister Donohoe, wat grotere woorden zouden durven te gebruiken. Woorden die het domein van de controle en beheersing overstijgen en onze verbeeldingskracht weten te prikkelen. Woorden als die van Seamus creëren een punt waar we met elkaar naartoe kunnen bewegen. Het verandert de maatregelen niet. Wel plaatst het moeilijke tijden in een perspectief waar we ons met elkaar doorheen kunnen slaan. Woorden van dichters trekken je zo bezien weg uit het inperkende heden en openen een vergezicht. Bovenal werken ze hoopgevend. En daar kunnen we in deze tijd nooit teveel van hebben.

 

Wil je een e-mail ontvangen als er een nieuw artikel op deze website verschijnt? Klik dan hier.

Open post

Je eigen imago breken

Je eigen imago breken

Verhuizen is ingrijpend. Het is een van de meest stressvolle dingen die we doen met elkaar. Alles wat we hebben komt in een keer in beweging. De spullen die we haast ongemerkt hebben verzameld komen in een keer op ons af. Ook legt een verhuizing haarfijn bloot wat wij belangrijk vinden en waarmee wij graag worden geïdentificeerd: de filmkenner heeft een waanzinnige dvd-collectie, de kok een indrukwekkende hoeveelheid aan gespecialiseerde keukenspullen.

Ook ik ga niet vrijuit. Een jaar of vier terug stond ik zelf voor een grote verhuizing. Met een avontuurlijke reis door Europa voor de boeg (lees er hier meer over) moest ons huis in Berg en Dal leeg. De stroom aan boeken die toen op mij af kwam was niet te overzien. Het ‘teveel’ was zo groot dat alles opslaan in de verste verte geen optie was. Na een eerste grondige selectie gingen zevenentwintig dozen met boeken naar de kringloop. Andere werden verkocht en mooie romans, degene die je maar een keer leest, vonden een plekje in de vele mini-bibliotheekjes in Nijmegen. Intrigerend is dat: zonder enige moeite sluipt van alles je huis in. Vervolgens kost het een karrenvracht aan energie om je er weer los van te maken.

Het voelt lichter om zoveel boeken kwijt te zijn. Slechts een keer baalde ik ervan dat ik een boek van de hand had gedaan dat ik weer nodig had. Toen ik in mijn zoektocht vervolgens mokkend een van de boekendozen in de opslag uitpakte kwam ik het verloren gewaande boek weer tegen. De angst om iets te gaan missen nadat je het hebt weggedaan is vaak groter dan het daadwerkelijke gemis.

Maar wat zegt de overdaad aan boeken over mij? Laatst las ik het boek Vaarwel spullen van de Japanner Fumio Sasaki. Echt goed vond ik het boek niet, dus ik bracht het met liefde weer terug naar de bibliotheek. Wel zette Sasaki mij aan het denken met wat hij schrijft over hoe onze spullen samenhangen met onze persoonlijke eigenschappen. De meeste dingen die we hebben zijn niet strikt noodzakelijk. Veelmeer hebben wij ze omdat we bepaalde eigenschappen van onszelf ermee willen uitvergroten en benadrukken. Zo bezien onderstrepen spullen een imago: ik ben een filmkenner, ik ben een kok, of – in mijn geval – belezen en zelfs misschien wel een beetje intellectueel. Spullen als warm bad voor het ego.

Hoe sterker bezittingen ons imago bepalen, des te groter is de kans dat er zich geleidelijk een omkering voltrekt: wij bezitten niet langer spullen, maar de spullen bezitten ons. We worden als beheerders dienstbaar aan een verzameling van dingen die tijd, aandacht en onderhoud vragen. Als we niet uitkijken gaan ze ons leven bepalen.

Het tegenovergestelde kan ook: als het ons lukt om het lijntje door te knippen tussen spullen en imago, dan zijn we minder afhankelijk van wat we bezitten. Hebben maakt plaats voor zijn. Er ontsluit zich een heel nieuw gebied, waar stukjes zelfinzicht en wijsheid te vinden zijn. Een gebied van dingen die we alleen kunnen ontvangen en niet kunnen kopen, die niet op gaan als we er gul van geven. Geluk ligt voor het oprapen daar waar wij ons imago, onze zelf gecreëerde beelden, durven te breken. Bedrieglijk eenvoudig eigenlijk, maar zo eng tegelijkertijd.

 

Wil je een e-mail ontvangen als er een nieuw artikel op deze website verschijnt? Klik dan hier.

Open post

Hoeveel heb je nodig?

Hoeveel heb je nodig?

Een naakte man staat in een leeg appartement. Een moment later rent hij via het trappenhuis naar buiten. Uit een afvalbak trekt hij een paar oude kranten om zijn geslachtsdeel te bedekken. Het is avond, het is winter, er ligt sneeuw. Speelse jazzmuziek klinkt op de achtergrond terwijl de naakte man over straat rent op weg naar een storage box om er iets uit te halen.

Met deze absurdistische en humoristische scene opent de film My Stuff (2013) van de Finse filmmaker Petri Luukkainen. Onderwerp van Luukkainens film is het in beeld brengen van een zelfverkozen experiment. Op zesentwintigjarige leeftijd wil hij op zoek wat voor hem echt belangrijk is. Nadat een paar jaar eerder zijn relatie op de klippen liep, heeft hij zijn ongelukkige gevoel gevuld met de aanschaf van spullen. Maar al staat zijn appartement vol, hij voelt zich leeg vanbinnen. Om de vraag ‘wat maakt mij gelukkig?’ te onderzoeken besluit hij zijn hele woning te ontruimen en al zijn bezittingen naar een opslag te brengen. Gedurende een jaar mag hij iedere dag één voorwerp uit de opslag halen. Ook verbiedt hij zichzelf nieuwe spullen te kopen.

Wanneer je naakt in je eigen huis staat, wat haal je dan als eerste op? Het eerste voorwerp dat Luukkainen uit de storage box trekt is een warme lange jas. Na een lange en koude nacht op de kale vloer komt hij erachter dat een jas het best slaapt als je je benen in de mouwen steekt. De dagen die erop volgen haalt hij een deken en schoenen, gevolgd door een broek en een overhemd. Zo kan hij weer naar zijn werk en iets van zijn dagelijkse leven oppakken.

Als de film naar zijn eind toeloopt en dag 365 nadert zegt Luukkainen: ‘Ik kan het doen met honderd dingen. Ik heb er nog eens honderd nodig voor een beetje vreugde en comfort.’ Natuurlijk zijn aantallen subjectief, maar desalniettemin vind ik zijn antwoord fascinerend. Het laat iets zien over de comfortabele ondergrens van bezit die praktisch nooit, althans in mijn leven, in beeld is.

Wat vinden we als we niet langer maximaliseren maar uit vrije wil de ondergrens opzoeken? Ik vermoed dat we er veel spannends tegenkomen, zoals flexibiliteit en wendbaarheid. Letterlijk draag je minder met je mee aan bezittingen en verantwoordelijkheden en dat maakt dat je alle kanten op kunt. Ook ontstaat er ruimte voor de dingen die echt belangrijk zijn: eenvoud schept helderheid, ook daar waar het aankomt op keuzes en verlangens. Vaak komen we erachter dat deze verlangens niet uitgaan naar dingen maar naar mensen. Dat laatste is ook treffend terug te zien in My Stuff. Het mooist in de film zijn de gesprekken die Luukkainen heeft met zijn oma. Ook neemt zijn geluk een vlucht als hij opnieuw verliefd wordt en deze gevoelens wederzijds zijn.

Waar ligt het geluk en hoeveel heb ik daar bij nodig? Luukkainen brengt het met zijn filmproject heel raak in beeld. Zijn film is als een sleutel die toegang biedt tot de onderstroom: de laag die ons uitnodigt tot het onderzoeken van wezensvragen. Waar antwoorden en nieuwe vragen te vinden zijn voor wie onbevangen durft te zoeken.

 

Wil je een e-mail ontvangen als er een nieuw artikel op deze website verschijnt? Klik dan hier.

Posts navigation

1 2 3
Scroll to top