Open post

Over de ziel

Over de ziel

Vaak borrelt het gevoel in mij op dat de meest wezenlijke dingen in ons leven ook de meest ongrijpbare zijn. Met regelmaat mijmer ik over de ziel. Eigener, persoonlijker en intiemer wordt het niet. En tegelijkertijd tasten we in de leegte en vormt de ziel een groot mysterie.

Al proberen sommigen wel een glimp op te vangen van de ziel. Zo voerde de arts Duncan MacDougall in 1907 een experiment uit met zes stervende tuberculosepatiënten. Hij plaatste ze met bed en al op een grote industriële weegschaal. Vier van de patiënten van MacDougall verloren op het moment van sterven een heel klein beetje gewicht. De eerste patiënt verloor iets meer dan 21 gram. Op verschillende momenten is dit aantal gram in kunst en cultuur komen bovendrijven als het vermeende gewicht van de ziel.

De meesten van ons zijn gewend aan het idee dat de ziel een plaats heeft in het lichaam. Het lichaam is ons tijdelijke en aardse “huis” waarin de ziel als een soort van goddelijke of essentiële vonk aanwezig is. Sterft het lichaam, dan vindt de ziel zijn weg terug naar huis in een leven na de dood volgens sommigen. Anderen vermoeden dat de ziel weer terugkomt in een ander lichaam om de levenscyclus weer opnieuw te doorlopen. Hoe dan ook: in beide situaties bevindt de ziel zich in of om het lichaam.

Het boek Anam Cara van John O’Donohue zette mij onlangs om een afwijkend en inspirerend denkspoor. Deze Ierse dichter, schrijver en uitgetreden priester schreef onder meer over spiritualiteit, welke hij telkens weer verbond met de natuur en de grond waarop wij staan. Ergens in zijn boek schrijft hij dat het lichaam een plek in de ziel heeft. Voor mij is dit een interessante en vruchtbare omkering. Het eerste beeld dat in mij opkwam na het lezen van deze woorden was dat van een groot wit papier. Wat als dit hele vel ziel is? Dan kun je het leven als een zee van ziel zien waar als kleine puntjes allemaal lichamen in kunnen worden geplaatst.

Het bevrijdende aan de omkering vind ik het vertrouwen dat eruit spreekt. Dit vertrouwen vormt een contrast met veel van het geschrevene in onze westerse geschiedenis. Als theoloog heb ik eindeloos veel teksten voorbij zien komen waarin de ziel vereenzelvigd wordt met het hogere, het goddelijke, het reine. Het stoffelijke daarentegen – ons lichaam en de wereld – behoort tot de lagere en minder edele regionen. In het beste geval leidt dit denkschema tot een verheelijking van geestelijke zaken. In het slechtste geval tot een veroordeling van lichaam, seksualiteit en de wereld als zondige en donkere plaats. Wanneer we daarentegen de ziel zien als een wit papier waarop alles zijn plek heeft, dan breken we radicaal met de zojuist beschreven tegenstelling. De wereld zelf verschijnt als bezielde plaats. Een ruimte die goed is en waardevol.

Het mooie woord ‘zielzorg’ komt hiermee ook in een ander licht te staan. Ziel is niet louter verbonden met het ‘zelf’ en ons eigen persoonlijke leven, maar met het hele weefsel van bestaan waarin wij een plek hebben. Introspectie en zelfonderzoek worden aangevuld met aandacht en zorg voor de wereld om ons heen. De zorg voor de wereld loopt over in zelfzorg en omgekeerd. Daarmee opent zich een perspectief waarin verbinding en empathie centraal staan. En precies daarvan kunnen we in deze tijd nooit teveel hebben.

 

Wil je een e-mail ontvangen als er een nieuw artikel op deze website verschijnt? Klik dan hier.

Open post

Voorbij de vervreemding

Voorbij de vervreemding

Gek hoe dat werkt: pas als het onbekende vertrouwder wordt merk je je eigen vervreemding. Althans, zo is dat voor mij. Na jarenlang beroepshalve meer een binnenmens te zijn geweest ben ik nu veel meer buiten. En hoe meer ik buiten ben, des te duidelijker dringt mijn “ongeletterdheid” zich aan mij op. Door dicht op de seizoenen te staan en aandacht te hebben voor wat bloeit en vliegt merk ik pas hoeveel ik niet weet en ken. Voortdurend ben ik bezig met een inhaalslag. Planten en bloemen weet ik steeds beter te benoemen. De vogels die ik zie ken ik beter bij naam.

Met deze inhaalslag groeit mijn kennis. Maar dat niet alleen. Ik merk dat met het aandachtige kijken en luisteren ook mijn waardering en begrip groeien. Wanneer de flora en fauna niet langer uit naamloze vormen en dingen bestaan maar een naam dragen, wordt de vervreemding minder. De innerlijke oevers – waar ik in mijn vorige stukje over sprak – komen minder ver van elkaar af te liggen. Daarmee ontstaat verbinding en betekenis: het ervaren van de wereld als een bezielde plaats waarin alles met alles verbonden is in wederzijdse afhankelijkheid. Dit past bij het beeld van de wereld als ‘gemeenschap van subjecten’, waarbij de mens niet boven de wereld staat maar er middenin.

Hoe vervreemding en waardering met elkaar samenhangen laat de Amerikaanse dichter Gary Snyder treffend zien. In zijn boek The Practice of the Wild schetst hij een intrigerend beeld van hoe wij tegen het ‘wilde’ aankijken. Aan de hand van The Oxford English Dictionary geeft hij o.a. de volgende typeringen van het ‘wilde’ daar waar het gaat over:

  • Dieren – niet tam, ongetemd, onhandelbaar.
  • Land – onbewoond, ongecultiveerd.
  • Gemeenschappen – ongecultiveerd, onbeleefd en grof, weerstand biedend aan een constitutionele staatsvorm.
  • Gedrag – gewelddadig, destructief, wreed, onhandelbaar.

Wat opvalt zijn de negatieve kwalificaties: onbekend maakt onbemind. Bovenal wordt onderstreept wat het ‘wilde’ niet is. Maar wat als we wat verder kijken en ons oordeel minder laten kleuren door de kloof tussen ons en de vaak onbekende wereld? We komen dan uit bij een heel andere manier van kijken, een wijze van waarderen die veel sterker de andersheid en eigenheid van het vreemde en wilde onderkent, zoals terug te zien in de herformulering van Snyder zelf:

  • Dieren – vrije subjecten, ieder met zijn eigen begaafdheid levend in een natuurlijk systeem.
  • Land – een plaats waar de oorspronkelijke vegetatie intact en fauna intact is en volop interacteert en de hand van de mens afwezig is. Ongerept.
  • Gemeenschappen – gemeenschappen waarbij de orde van binnenuit groeit en welke rust op consensus en gewoonte en niet zozeer op wetgeving … gemeenschappen waarbij het economisch systeem aansluit en in relatie staat tot het lokale ecosysteem.
  • Gedrag – zich sterk verzettend tegen iedere vorm van onderdrukking, opsluiting en uitbuiting en daardoor ongekunsteld, vrij en spontaan.

Toen ik deze typeringen van het ‘wilde’ voor het eerst las was ik geraakt: het maakte me droevig om (weer eens) te zien hoe ver we zijn afgedreven van onze inbedding, onze natuurlijke plaats. Maar tegelijkertijd voelde ik hoop. Tegen de stroom in zijn er altijd mensen, zoals Snyder, die zich moedig inspannen om het andere, om het vreemde van een stem te voorzien. Zij helpen ons taal en gevoel te ontwikkelen en bij te dragen aan een nieuw evenwicht. Ze zijn als vonkjes van hoop die het vuur van de verwondering voor onze wereld aanjagen. En dat stemt mij oneindig positief.

 

Wil je een e-mail ontvangen als er een nieuw artikel op deze website verschijnt? Klik dan hier.

Open post

De echte vragen van nu

De echte vragen van nu

Het nieuws van de dag eet onze aandacht op. Grote en kleine kwesties domineren de berichtgeving: van economische groei- en krimpcijfers, Brexit-beslommeringen met bijbehorende in- en export hoodpijndossiers, tot het ongemak dat we niet weten waar we aan toe zijn met onze volgende vakantie door alle coronabeperkingen. Deze kwesties doen er toe, ze raken onze levens, ons perspectief en onze vrijheid. Maar toch liggen de meer fundamentele vragen in onze cultuur, zoals bij een ijsberg, onder de waterspiegel. Ze passen niet goed in onze eigentijdse cultuur en een mind set waarin snel goed is en de korte termijn regeert. Daarvoor zijn ze te groot, te veelomvattend, te complex. Denk bijvoorbeeld aan het milieuvraagstuk en over hoe wij ons als mensen eigenlijk verhouden ten opzichte van de grote wijde wereld om ons heen.

Onlangs las ik een verfrissende artikel, een tekst die deze fundamentele laag wel aanraakt. In deze tekst pleit prof. dr. Tineke Lambooy van Nyenrode Business University ervoor te onderkennen dat de natuur, het landschap om ons heen, ook rechten heeft. Maar al te vaak, zo stelt ze, prevaleren economische drijfveren boven ecologische met alle rampzalige gevolgen van dien: uitputting en onherstelbare schade. Lambooy geeft verschillende voorbeelden waarin mens en natuur, met behulp van het recht, weer in een gezondere verhouding tot elkaar komen te staan. Zo zijn Maori-stammen en de Nieuw-Zeelandse overheid bijvoorbeeld een pact overeengekomen waarin de Whanganui rivier, een heilige rivier voor de oorspronkelijke bewoners, dezelfde rechten, plichten, mogelijkheden en verplichtingen heeft als een bestaand persoon. In eerste instantie klinkt dit misschien wat merkwaardig, maar nader beschouwt helpt het enorm bij de bescherming en instandhouding van de natuurlijke wereld om ons heen. Lambooy verkent momenteel in hoeverre het mogelijk is om de Waddenzee ook soortgelijke rechten toe te kennen.

Daar waar het landschap rechten krijgt, treedt een fundamentele verandering op. Het verplicht ons onze eigen positie en verhouding tot onze omgeving radicaal te herzien. Het landschap is niet langer een object, een gebruiksvoorwerp, maar een subject. Er ontstaat een gelijkwaardige relatie, waarbij de mens niet boven de natuur staat maar ernaast, of beter nog: erin, als ‘onderdeel van’. Deze verschuiving waarbij de natuur niet langer verschijnt als object maar als subject, zoals ook omschreven door Lambooy, houdt mij al een behoorlijke tijd bezig. De huidige subject-object relatie veronderstelt een breuk: een ideeëngeschiedenis van vervreemding, die we weer moeten zien te dichten als we iets van evenwicht willen herstellen. Deze breuk wordt door ecotheoloog Thomas Berry in zijn boek The Dream of the Earth al meer dan dertig jaar terug heel treffend omschreven: “We praten alleen nog maar tegen onszelf. We praten niet tegen de rivieren, we luisteren niet naar de wind en de sterren. We hebben de grote conversatie verbroken. Met het verbreken van deze conversatie hebben we het universum uiteen doen laten spatten. Alle rampen die op dit moment gebeuren zijn de consequentie van dit spiritueel ‘autisme’”.

De scheiding waarover Berry het heeft, heeft zich in de loop der eeuwen als een rivier ingesleten in ons innerlijk landschap: op de ene oever staan wijzelf, op de andere de rest van de natuurlijke wereld. De breuk zelf voert Berry terug op bepaalde karakteristieken van zowel het christendom als de wetenschap. Helder beschrijft hij hoe we in onze geschiedenis keer op keer scheiding aanbrengen die leidt tot vervreemding: Zo staat in het christendom regelmatig de aardse ‘materialiteit’ (= zondig en incompleet) tegenover de spirituele mens (die in de wereld is maar niet van de wereld en waarbij het beste komt na het leven op aarde). Of later, in de Verlichting, staat de rede tegenover materie. Waarbij, bijvoorbeeld voor Descartes, alles wat niet tot het domein van de rede behoorde (de materie) zielloos is. Met deze scheiding hebben flora en fauna niet langer een vitaal en ‘bezield’ principe. Waartoe deze ‘verdinging’ van de wereld om ons heen heeft geleid weten we stilletjes allemaal wel. Hoe doder de materie om ons heen, hoe minder voorzichtig ermee om gesprongen hoeft te worden.

Het is de grote uitdaging van onze tijd om bruggen te slaan tussen de oevers van de rivier die ons innerlijke landschap splijt. Om weer te leren zien dat de wereld niet buiten ons staat, maar dat wij er innig mee verbonden zijn. Berry spreekt over de noodzaak van het vergroten van de ziel, die door de dikke schil moet breken die in de loop van de tijd tussen de moderne mens en zijn omgeving is gegroeid. Misschien gaat dit gemakkelijker, zo denk ik weleens, als we het beeld van de ziel die huist in het lichaam, omwisselen voor het idee van het lichaam dat huist in de ziel. Dat plaatst het ‘ik’ en het ‘andere’ in een radicaal ander licht.

Het groeiende besef dat beide oevers niet los van elkaar staan maar verbonden zijn heelt scheiding en maakt kwetsbaar. Zoals een van de personages uit De gezongen aarde van schrijver Bruce Chatwin het treffend verwoordt: ‘De aarde verwonden … is jezelf verwonden en als anderen de aarde verwonden, verwonden ze jou.’ Niet alleen verwonden wij onszelf en elkaar, we verwonden ook degenen die na ons komen, zoals filosoof Roman Krznaric in zijn nieuwste boek De goede voorouder laat zien. We koloniseren met onze veel te grote ecologische voetafdruk de toekomst en de mogelijkheden van wie na ons komen.

De massieve en complexe vragen: ze zijn intimiderend van omvang en niet vrij van verplichting. Toch kunnen we het ons niet permitteren ervan weg te kijken. Ieder uitstel in het heden snijdt diep in de tijd die nog moet komen. Al hebben we nog invloed op hoe toekomstige generaties over ons zullen spreken, tenminste als we met elkaar het fundamentele niet uit de weg gaan.

 

Wil je een e-mail ontvangen als er een nieuw artikel op deze website verschijnt? Klik dan hier.

 

Open post

Levensfilosofie als wijsheidskapitaal

Levensfilosofie als wijsheidskapitaal

Soms blijven er na een saai gesprek een paar ware woorden hangen. Zo luisterde ik onlangs naar een weinig verheffende uiteenzetting over onze economie, waarvan de precieze inhoud al bij me is weggeëbd. Wat me echter nog helder voor de geest staat is een gezegde dat terloops en in de marge van het gesprek voorbij kwam: ‘Je moet het dak repareren als de zon schijnt’. Ik had het wel vaker gehoord, maar op de een of andere manier raakte het mij dit keer. Misschien wel omdat ik me realiseerde dat het niet alleen toepasbaar is op ingewikkelde economische concepten, maar ook klein en dichtbij op ons eigen leven.

Voor mij resoneert deze boerenwijsheid met een boek dat ik onlangs las. In A Guide to the Good Life schrijft filosoof William Irvine over het belang van levensfilosofie. In tegenstelling tot veel andere filosofen plaatst Irvine filosofie niet in een academisch klimaat maar middenin het alledaagse leven. We doen er allemaal goed aan, zo is zijn gedachte, te werken aan een coherente en samenhangende visie op het leven.

Dat ontwikkelen van een philosophy of life klinkt vanzelfsprekend maar dat is het zeker niet. Het is, zeker in onze tijd, maar al te verleidelijk en gemakkelijk om mee te gaan met de stroom van het moment: je onder te dompelen in een razendsnelle afwisseling van verplichtingen (werk en andere carrièremogelijkheden) en het noodzakelijke genot ter ontspanning (vakanties en andere exotische ervaringen). Voordat je er erg in hebt ligt een aanzienlijk deel van je leven al achter je. Of zoals een rechter die net de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt het laatst zei in de krant: na hard werken heb ik nu eindelijk tijd voor levensvragen en spiritualiteit. Het staat iedereen vrij zijn eigen pad te kiezen, maar toch lijkt het me raadzamer om werk en het denken over levensvragen en spiritualiteit wat meer gelijk op te laten lopen.

Nu klinkt filosofie voor sommigen misschien wat serieus en moeilijk. Toch denk ik dat het meer dan de moeite waard is om het een bewust onderdeel te laten zijn van ons alledaagse doen en laten. Het maakt het leven ook niet zwaarder, eerder lichter. Door na te denken over wat er voor ons echt toe doet schep je helderheid: een aangename vorm van overzicht. Dat maakt het maken van keuzes een stuk gemakkelijker. Door meer zicht te hebben op de essentie kun je gemakkelijker ‘ja’ en ‘nee’ zeggen op de veelheid aan vragen en kansen die op je af komen. De zaken waar je vervolgens ‘ja’ tegen zegt kun je met aandacht en toewijding aanpakken, minder gehinderd door de onrust en de ruis die we ook allemaal ervaren.

Minstens zo waardevol is dat de levensfilosofie ons helpt het dak te repareren als de zon schijnt. Allemaal hebben we onze kwetsuren en onzekerheden. In tijden van voorspoed is het gemakkelijk om deze toe te dekken en eraan voorbij te gaan. Maar hoe waardevol is het om juist op de momenten dat we ons sterk voelen te kijken naar onze pijnpunten en te bouwen aan eigenschappen die ons karakter sterken? Het maakt dat we, bijvoorbeeld als we geconfronteerd worden met een ernstige ziekte, gemakkelijker de oversteek durven te maken naar de ander en onze kwetsbaarheid durven te tonen. Ook kan de levensfilosofie bijdragen aan onze persoonlijke veerkracht. Zelfkennis en het oefenen van een philosophy of life sterken ons fundament en ons dak. Ze bieden beschutting tegen de onherroepelijke gebeurtenissen die ons als een storm kunnen overvallen.

Zo bezien kun je zeggen dat levensfilosofie bijdraagt aan ons persoonlijke wijsheidskapitaal en helpt bij het leiden van een aangenaam en verrijkend leven. Het maakt veerkrachtig, het voedt onze tevredenheid, mildheid en lach. Gek eigenlijk dat in een wereld waarin we allemaal streven naar geluk we vaak voorbij gaan aan deze misschien wel kostbaarste vorm van kapitaal.

 

Wil je een e-mail ontvangen als er een nieuw artikel op deze website verschijnt? Klik dan hier.

Open post

Ons kostbaarste goed

Ons kostbaarste goed

Onze leeftijd kennen we allemaal. Maar wat als we zouden weten hoe lang we nog te leven hebben? Wat zou dat betekenen voor hoe we ons leven inrichten? Waar zouden we beslist voor kiezen en waar resoluut mee stoppen? Het is de filosoof Seneca die deze gedachte opwerpt als hij het heeft over de lengte van het leven. Ik vind het een prikkelende gedachte. Het zet keuzes en prioriteiten op scherp: doe ik echt waar mijn hart ligt? Geef ik mijn tijd aan de juiste mensen en stop ik het in de juiste zaken?

Het kennen van onze dood is ons niet gegeven. Toch maakt alleen al de gedachte over de gelimiteerde tijd die wij allen hebben mij bewuster van de waarde van mijn tijd. Waar wil ik die aan besteden en wat laat ik bewust links liggen? Het helpt me om daarbij aandachtig om mij heen te kijken.

De bezittingen die mij omringen vertellen me veel over mijn tijd. Naast de laptop waarop ik dit stukje schrijf staat mijn gitaar. In dit instrument zitten buitengewoon veel van mijn levensuren. Zo’n anderhalf jaar besteedde ik aan het bouwen ervan. Iedere week ging ik weer met geduld en aandacht aan de slag en beetje bij beetje maakte ik vorderingen tot ik klaar was. De waarde van de gitaar zit in het verfijnde hout, de mooie klank en de vreugde die het spelen mij geeft, maar ook in het aantal uren toewijding en levensenergie dat ik erin hebt gestopt en welke nooit meer terugkomen.

Naast muziek heb ik een groot zwak voor boeken. Al eerder schreef ik over de stroom aan boeken die op mij af kwam tijdens mijn laatste verhuizing. Veel boeken vonden door de verhuizing een nieuw en ander thuis, maar nog steeds zijn de boeken als goede vrienden goed vertegenwoordigd in mijn nieuwe huisje. Wel merk ik dat ik kritischer ben op wat er in mijn kast staat. Daar voor hanteer ik sinds kort het volgende criterium: ‘ben ik bereid om x uren te steken in het lezen van dit boek?’ Veel boeken vragen toch wel vijftien tot twintig uur van mijn tijd (als het een dikker boek is al snel meer). Ben ik bereid om deze tijd en energie daarin te steken? Als het antwoord hierop ‘nee’ is, dan doe ik er goed aan er iemand anders blij mee te maken of het naar de kringloop te brengen.

De vraag naar je bereidheid om wel of niet je tijd te geven aan iets, is toepasbaar op legio zaken. Het meest zichtbaar kun je het toepassen op je bezittingen, of ‘slapende’ hobby’s (waarbij je jezelf wijsmaakt dat je ze misschien ooit nog wel eens oppakt). Een eerlijk antwoord ruimt in de meeste gevallen op. Het criterium is echter toepasbaar op immateriële zaken. Op allerlei contacten die misschien soms meer als een last dan als een lust voelen, of allerhande verplichtingen waarvan we inmiddels niet meer weten waarom we er ooit mee hebben ingestemd.

Tijd is ons kostbaarste goed. Ieder stukje ervan kunnen we maar een keer besteden. Wat weglekt aan bijzaken komt nooit meer terug. Zo bezien is het de kunst bij je eigen grondtoon te blijven en aan te voelen waar je hart ligt in een overvolle wereld. Bedrieglijk eenvoudig en gruwelijk ingewikkeld tegelijkertijd.

 

Wil je een e-mail ontvangen als er een nieuw artikel op deze website verschijnt? Klik dan hier.

Open post

De grootste kunstenaar

De grootste kunstenaar

Met de sneeuw die dit weekend stilletjes naar beneden dwarrelt ziet hetzelfde land er anders uit. De velden en bomen zijn bedekt met een dunne laag vlokken: poedersuiker uitgestrooid over een grauw winters landschap.

Echt overtuigend is de Nederlandse winter allang niet meer. Ik kan het me niet heugen dat de sneeuw ons in de greep hield. Een echt witte wereld is een zeldzaamheid geworden. Des te mooier om ervan te genieten op de spaarzame momenten dat het kan.

Wat me vooral raakt als ik buiten ben, is dat ik anders kijk naar dezelfde wereld. De weggetjes en paden waar zoveel van mijn voetstappen liggen voelen anders aan. Alsof ik er voor het eerst kom. Zo bezien blijft de natuur me keer op keer verrassen. Er zijn voortdurend wondertjes van creativiteit te vinden voor wie goed weet te kijken. Zo werd ik afgelopen week geraakt door prachtige ijsbloemen op een buitenruit. Spontane creaties uit het niets. Heel eventjes zichtbaar om daarna weer weg te smelten in het ochtendlicht.

Op de momenten dat het me opvalt hoe de natuur voortdurend aan het werk is, maakt zich vaak een gevoel van verwondering meester van me. Ik voel mij dan prettig klein en geniet van de creatieve kracht die de wereld in zich herbergt. De natuur als grootste kunstenaar: onuitputtelijk en altijd overvloedig.

 

Wil je een e-mail ontvangen als er een nieuw artikel op deze website verschijnt? Klik dan hier.

 

Open post

Lichter leven

Lichter leven

De maand januari draagt iets in zich van nieuw begin. Na een decembermaand vol feestdagen en overvloed, brengt de eerste maand van het nieuwe jaar balans. Best wat mensen kiezen ervoor een maand niet te drinken: dry January wint aan populariteit. Een goede stap om gewoontes te doorbreken en niet als vanzelfsprekend een flesje open te trekken.

Mijn dry january bewaar ik voor de vastentijd. Dat wil niet zeggen dat januari gewoon aan mij voorbij trekt. Nog meer dan anders probeer ik deze maand gewicht kwijt te raken. Niet zozeer zwembandjes, veel meer gaat het mij om gewicht in de brede zin van het woord: al een behoorlijke tijd probeer ik me beetje bij beetje meer bewust te zijn van mijn gewoontes, mijn levensstijl, en streef ik ernaar mijn behoeftes te downsizen.

Dat klinkt goed maar is moeilijker dan gedacht. Tony Crabbe stelt in zijn boek Nooit meer te druk dat slechts 2% van onze mentale processen bestaat uit ‘beschouwelijk bewust denken’. Dat betekent dat wij verreweg de meeste tijd handelen op de automatische piloot. Dit bespaart ons ongelooflijk veel energie: onze hersenen hoeven beduidend minder werk te verzetten en staan in de spaarstand. Veel van wat wij doen drijft daarmee op gewoontevorming: ingeslepen patronen die haast als vanzelf ons doen en laten bepalen. Dat is positief in het geval van goede gewoontes maar ongezond daar waar zich allerlei fnuikende patronen in ons gedrag hebben genesteld.

Zelf probeer ik deze maand bewuster om te gaan met mijn telefoon. Het gaat mij niet om het voortdurend maar bereikbaar zijn (al is dat ook een probleem), maar om het bombardement aan advertenties dat op mij af komt als ik even wat check. Keer op keer word ik in de verleiding gebracht om spullen te kopen die mij gelukkig zullen maken. Nu heb ik het gevoel dat ik behoorlijk goed weerstand weet te bieden, maar toch koester ik niet de illusie dat ik slimmer ben dan al die geraffineerde reclametrucs bij elkaar. Bij continue blootstelling gaat zelfs de meest doorgewinterde niet-koper voor de bijl. Dat is ook de reden dat ik een karrenvracht aan nieuwsbrieven en andere reclameberichten van merken en winkels die mij wel aanstaan tot junk mail heb verklaard en uit mijn inbox heb verwijderd.

Door advertisement te mijden voel ik sterker mijn eigen behoefte in plaats van de behoeftes die ik krijg aangepraat. Dat is prettig en maakt rustig. Ook is het fijn om te merken dat ik van mijzelf weinig wensen heb. Als ik afgekoppeld ben komt er een milde tevredenheid over mij: een blij-zijn met wat ik heb en wie ik ben. Dat raakt aan een mooie zin die ik laatst las van de Amerikaan Henry David Thoreau. Deze filosoof, schrijver en voorloper van de milieubeweging schreef halverwege de negentiende eeuw: ‘a man is rich in proportion to the number of things he can afford to let alone’. Zo bezien liggen rijkdom en geluk niet in het verschiet voor wie groeit in bezit. Integendeel, juist degene die het lukt tevreden te zijn in het klein vindt rijkdom in de schaarste.

Thoreau werpt een heel ander licht op rijkdom. Rijkdom is niet gekoppeld aan een onverzadigbaar meer, maar aan ons vermogen zonder dingen te kunnen. Belangrijkste hierbij is onze mindset. Rijkdom wordt, Thoreau volgend, niet bepaald door geld en goed maar door de blik waarmee we kijken naar de bestaande wereld die ons omringt. Lukt het ons om niet te afhankelijk te zijn van de spullen en de zekerheden waarmee wij ons omringen? Zo bezien gaat rijkdom samen met een gezonde vorm van onthechting, met een lichter leven dat onafhankelijk en veerkrachtig maakt. Dat zijn mooie en positieve woorden om het nieuwe jaar mee te beginnen.

 

Wil je een e-mail ontvangen als er een nieuw artikel op deze website verschijnt? Klik dan hier.

Open post

Aan de rand van mijn blikveld

Aan de rand van mijn blikveld

Vanmorgen vertrok ik later dan gebruikelijk. Iets na negenen trok ik de deur achter me dicht en stapte richting bos voor mijn ochtendwandeling. Daar liep ik heel stilletjes en liet de natuur op mij inwerken. Slechts af en toe werd de stilte doorbroken door een passerende fietser, om daarna weer terug te keren en bezit van het bos te nemen.

Toen ik na tienen richting de velden liep gebeurde er iets bijzonders: vanuit mijn ooghoek zag ik een reebok die in volle vaart door het open weiland snelde richting een stel bomen gehuld in dichte begroeiing. Terwijl hij watervlug door het groen schoot pakte ik mijn verrekijker en zag hoe hij onvermoeibaar de akker overstak en uit het zicht verdween.

Soms moet het je wat meezitten. Afgelopen jaar zag ik regelmatig reegeiten met hun kalfjes op de veldjes van de landgoederen die de bebouwde kom hier omringen. Meestal was dat vroeg in de ochtend, niet op een tijdstip waarop wandelend en fietsend Nederland in beweging komt. Zo bezien had ik met het zien van de reebok het geluk aan mijn zijde. Maar toch is het dat niet alleen.

Al een tijdje probeer ik op een andere manier te kijken naar mijn omgeving. Doorgaans richten we – mijzelf incluis – onze aandacht op één punt in ons blikveld. Dat zorgt voor focus. Het maakt echter ook dat we alle ruis wegfilteren. Precies dat laatste probeer ik de afgelopen tijd bewust te voorkomen als ik door de natuur trek. Ik merk namelijk dat, op de momenten dat dit lukt, mijn alertheid groeit en ik me bewuster ben van wat er aan de randen van blikveld gebeurt. Het maakt dat ik zie wat doorgaans aan mij voorbij gaat.

Een soortgelijke wijze van kijken oefen je bij spoorzoeken. Ergens in zijn autobiografie schrijft bushcraft-expert Ray Mears over hoe hij zichzelf heeft getraind in het herkennen van sporen. Wat begint met het herkennen van allerlei pootafdrukken van wilde dieren in sneeuw en modder, ontwikkelt zich tot een steeds scherpere waarneming van minuscule veranderingen in het landschap. Deze kleine veranderingen kunnen volgens Mears alleen gezien worden wanneer het je lukt om diffuus te kijken. Deze wat wazige blik lijkt contra-intuïtief en botst met ons idee van focus en aandacht. Toch komt er met deze bredere blik informatie tot ons die anders hoogstwaarschijnlijk verborgen zou blijven.

Het kunnen schakelen tussen een gefocuste en brede blik vind ik verrijkend. Het verandert de wereld niet, wel mijn waarneming. Deze wordt voller omdat ik helderder zie wat aanwezig is. Geluk balt zich samen in korte momenten. In het zien van reebok die me zonder brede blik waarschijnlijk ontgaan was. Slechts een kort moment, maar totaal onbetaalbaar.

 

Wil je een e-mail ontvangen als er een nieuw artikel op deze website verschijnt? Klik dan hier.

 

Open post

Druk, druk, druk …

Druk, druk, druk…

Zeg eens eerlijk, wanneer heb jij voor het laatst het woord ‘druk’ gebruikt? Het is samen met het woord ‘goed’ het meest gangbare antwoord op de vraag hoe het met ons gaat. Ook ik betrap mijzelf erop: als mijn hoofd vol zit met een rommelige hoop van hoofd- en bijzaken is het een gemakkelijk antwoord dat er haast als vanzelf uitkomt.

Maar waarom voel ik me druk? Ben ik echt met zoveel belangrijks bezig? Of is er iets anders aan de hand? De Romeinse filosoof Seneca zou me hoofdschuddend hebben aangekeken en zeggen: ‘Druk? Je hebt het helemaal niet druk. Je gaat niet goed om met de tijd die je gegeven is!’ In zijn boek De lengte van het leven constateert hij scherpzinnig dat wij ons vaak zorgen maken over de verkeerde dingen. Hij zegt:

‘Mensen laten nooit hun grond door een ander innemen, bij het minste of geringste grensgeschil grijpen ze naar stenen en wapens. Maar dat anderen hun leven binnentreden vinden ze best, of sterker nog, ze halen zelf hun toekomstige eigenaar binnen. Je vindt geen mens die zijn geld zomaar weggeeft, dat wil niemand. Maar ieder deelt zijn leven uit aan Jan en alleman.’ 

Seneca’s woorden klinken vers en kraakhelder. Toch zijn ze al 2000 jaar oud. Ook in onze tijd maken we ons voortdurend druk over bezit en vermogen. Als anderen aan ons bezit komen staan we op onze achterste benen. De pleuris breekt uit. De gang naar de rechter is snel gevonden. Maar als er een beroep op onze tijd wordt gedaan dan halen we onze ‘toekomstige eigenaar’ kritiekloos binnen. We laten ons kostbaarste goed – de tijd die ons gegeven is – als kaas van ons brood eten. Vaak omdat onze ijdelheid gestreeld wordt: het beroep van de ander geeft een gevoel van belangrijk zijn. En zo gaat onze tijd op aan talloze activiteiten waarvan we denken dat ze ons verder helpen. In onze zoektocht bijvoorbeeld naar een glansrijke carrière. Maar door nu van onszelf van alles te ‘moeten’, stellen we het échte leven uit. We begraven onszelf in bijzaken en beginnen pas met leven als de eindstreep in zicht is, aldus Seneca:

‘Na mijn vijftigste,’ hoor je de mensen zeggen, ‘dan doe ik het kalmer aan. En met zestig leg ik alle functies neer.’ Wie staat ervoor garant dat jij zo lang leeft? Wie laat de zaken lopen volgens jouw plan? De restanten van je leven reserveren voor jezelf, voor wijsheid alleen de tijd inruimen waar je verder niets mee kunt: vind je dat niet beschamend? Het is te laat te beginnen met leven bij de finish.’

 Maar hoe dan? Wat is dan wel een vruchtbare houding die ons verder brengt? Volgens Seneca zouden wij ons leven radicaal anders inrichten als niet alleen onze verstreken jaren zich zouden uitdrukken in een getal, maar ook de jaren die nog voor ons liggen. Het zou ons kieskeurig maken. We zouden alleen kiezen wat er echt toe doet.

Ook bewijzen we ons volgens Seneca een dienst als we afstand durven te nemen van drukte en gedoe. Het maakt dat ons leven minder gemakkelijk weg lekt en op gaat aan bijzaken. In de ruimte die zo ontstaat kunnen ideeën en gedachten rijpen. Kunnen we voelen en denken. Kortom: kan wijsheid groeien.

 

Wil je een e-mail ontvangen als er een nieuw artikel op deze website verschijnt? Klik dan hier.

 

Posts navigation

1 2 3 4
Scroll to top